Carnavalstradities zijn overal hetzelfde. Of toch niet?

Het feest der feesten is weer losgebarsten: de ‘elfde van de elfde’ werd gisteren weer groots gevierd. Hiermee hebben de carnavalsvierders het nieuwe carnavalsseizoen ingeluid. In Duitsland wordt dit feest vooral groots gevierd in Keulen en Düsseldorf, maar ook in Nederland is deze traditie niet meer weg te denken. Hier zijn het vooral de steden Maastricht, Eindhoven en Venlo die tijdens deze dolle dagen op hun kop staan. Het Nederlandse en Duitse carnaval hebben op sommige vlakken veel van elkaar weg, maar er zijn ook verschillen.

 

Opvallend is dat in Nederland carnaval vooral in het zuiden wijd verbreid is. In Limburg, Noord-Brabant, delen van Zeeland en in het zuiden van Gelderland kijkt men elk jaar weer reikhalzend uit naar dit volksfeest. Ook in sommige dorpen in de Achterhoek, Friesland en Utrecht heeft in het voorjaar de carnavalsprins het drie dagen lang voor het zeggen.

 

In Nederland bestaan er echter twee soorten carnaval: het Bourgondische en het Rijnlandse carnaval. Het Bourgondische carnaval, dat vooral in Noord-Brabant en Zeeland gevierd wordt, kenmerkt zich door eenvoudige kostuums. Tijdens carnaval is hier iedereen gelijk. Bovendien wordt het feest hier vooral binnen, in de cafés, gevierd. In Limburg vind je het Rijnlandse carnaval, dat wat meer lijkt op het Duitse carnaval. De carnavalsvierders feesten hier veelal buiten en luisteren naar traditionele Limburgse, maar ook Duitse carnavalsmuziek en schlagers. Daarnaast zijn de kostuums hier uitbundiger – net zoals in Duitsland.

 

Bescheidenheid

Maar ook tussen het Limburgse en Duitse carnaval vind je verschillen. Terwijl tijdens Duitse optochten het feestende publiek verwend wordt met kilo’s snoepgoed, bloemen en andere snuisterijen, zijn de Nederlanders wat bescheidener. Hier spreek ik uit eigen ervaring. Want ook tijdens de optochten in de regio Niederrhein, waaraan regelmatig Nederlandse wagens meedoen, gooien zij maar weinig lekkers naar hun publiek.

 

Flink feesten en losgaan kunnen onze buren echter minstens zo goed als wij. En daar gaat het tenslotte om, nietwaar?

 

Julian